Volgens het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn
beperkingen van de vrijheid van meningsuiting alleen toegestaan
als de lidstaat aantoont dat die
"
noodzakelijk zijn in een democratische samenleving".
Die (wettelijke) beperkingen moeten volgens het verdrag
"
noodzakelijk"
en "
proportioneel"
zijn ten opzichte van het doel dat met de beperking wordt gediend.
Artikel 10 lid 2 van het verdrag omvat een beperkte lijst met doelen
waarvoor de meningsuiting beperkt mag worden. En er dient een
"urgente sociale noodzaak" te zijn om die beperkingen te
rechtvaardigen.
Het recht om te shockeren of te kwetsen
valt volgens het Hof met nadruk ook binnen de vrijheid van
meningsuiting.
Een politicus moet zich meer laten aanleunen dan een ander individu.
En er is meer toegelaten als het een onderwerp van heftige maatschappelijke
discussie betreft.